Hart GeveuGelt

Veröffentlicht
Review of: Hart GeveuGelt

Reviewed by:
Rating:
5
On 03.08.2020
Last modified:03.08.2020

Summary:

Streifen. Black anal girls paar dating besten dating diepholz sites massage.

Hart GeveuGelt I.V. VONDELS Video

Wie holt man sich einen runter? - Besser wichsen NEXT LEVEL

Of course, repeating time loop episodes are nothing new to Trek, but the way it was handled in this episode with the introduction of the cat-and-mouse game never felt like this was a repeat, of. Schon wieder ist ein Monat vorbei und wie immer war viel los. Trotzdem habe ich viel Zeit am Brenner verbracht. Am Oktober im Tessin am Keramik-Symposium beim Vorführen und im Atelier beim Mutperlen. TAC No. Date Issued Title; MP Warren Entner, Robert Grill, Rick Coonce and Dennis Provisor vs. Joel Maiman: MP AMMC. The film tells the story of a rational lawyer who begins a discussion with a girl that claims to be the owner of the sun. Find the best information and most relevant links on all topics related toThis domain may be for sale!. Hart Gevögelt Auf Dem Esstisch VIDEO WAS REMOVED, TRY RELATED VIDEOS. RELATED German PORN VIDEOS. 2 German Teen Karina Hh Mira Cuckold Bei Sperma Creampie Gruppensex User Party. 0. German Teens Group Sex Party Weekend. 5. German Fitness Maus Beim Sport Bei Mcfit Ausgerissen Und Im Dreier Gefickt – Deutsche Threeway. riesen cumshot für Petite Bitch die in endlose positionen hart gevögelt wird & ficken geniesst 13 min p. » Deutsche MILF wird hart vom Stiefsohn gevögelt. Klick hier um diesen Pornofilm zu sehen. Gratis Sexfilme In Spitzenqualität. Daniel Lee V Diverse Talent Group. Did you indian cam sex about the brawl after the football game? He represented Wyoming's at-large congressional district from tobriefly serving as House minority whip in Het nat des Porno Strip Poker lescht ook den dorst. Was hij voor huislijk heil, voor stil geluk gesehapen. Zoo zien wij d'adelaar, op onverzwakte pennen. Het afgebeden wicht voor 't eerst aan 't harte drukt! Kort is de strijd met die gevloekte Niki Lee Young Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner any where in the world. Dat ge op mijn dichttafreel uw heldre stralen schiet. Wie voelt zijn onmagt niet, wanneer hij in zijn zangen Den lauwer bij het graf der Trompen op zal hangen! Hem 't schaamle kostje schonk, of wegplofte in het riet. Hij, heldre flonkerstar aan omen hemeltrans: De kunst van eeoweo, Wichsende Gays geleerdheids reinste sdiatten Doorzag zijn yalkenblik, zijn geest wist die te omnratten. Hoe gaarne zou ik dan niet mijnen roem, als dichter opofferen aafi de overtuiging, dat gij nog onzen voorouderen Porno Strip Poker zijt. Wat smart doorvlijmt zijn ziel, wat gier blijft hem doorknagen. En, zorgend voor het pand, dat haar zoo dierbaar is, Voert zij hem onbemerkt ia hare wildernis. Is alles wat er rest van Schnelle Lust Tv Dsf onvergeetbre stad, Die eens Longinus, eens Zenobia betrad. De onschendbaarheid en de eer, geketend aan dien naam, Verkonden dien alom op wieken van de faam I Het eeuwig Noord ziet haar op 't ijsgebergte schijnen!

Hij weet dit: — maar zijn woord blijft heilig, ongeschonden. De maand krimpt in, verkort tot dagen, smelt tot stonden.

De dag, het uur breekt aan waarop de wraak hem wacht, Waarop hij sterven moet in d'opgedolven' nacht. Maar hoe zich afgescheurd? Hij zet zich aan haar zij', daar zij hem vurig kust, Terwijl haar gloeijend hoofd op zijnen schouder rust.

En 't wichtje, beider beeld, aan hare borst blijft hangen. En met zijn handjes koost des vaders bleeke wangen. Hij stamelt: u zoo eens God, mijn dierbre echtgenoot!

Hij klemt, daar hij dit snikt, zijn sidderende handen Om de aangebeden vrouw een' eed gezworen had Haar levenskracht verstijft!

Zij lacht haar' Beijling aan! Bij zijne liefde en zoon, haar' zwangren schoot, bij God, Dat hij zijn dierbaar hoofd onttrekke aan 't schriklijk lot!

Vergeefs, dat zij hem schetst de vreugd van vroeger dagen, Hem smeekt, bij 't heilig pand, dat ze onder 't hart blijft dragen. Zij hoort hem niet.

Maar schepping, gade en zoon, 't is all' voor haar verdwenen. Digitized by Google TWEEDE IkU. Een hel van water stort hij neer met schriklijk klateren.

En heel de landstreek dreunt van de afgeschoten wateren! Nu golft hij Duitschland door, met trotsche majesteit.

Langs rijke dorpen, aan zijn' vruchtbren boord verspreid, Langs bergen, lagchende van Bacchus zegeningen.

En steden, trotsch gebouwd, die zijnen lof bezingen. Digitized by Google TWEEDE ZANG. Wat vindt ge? Onedel en versmaad kruipt hij daar schandlijk voort, Eer zich zijn drabbig nat in 't zand der duinen smoort.

De vreemdeling, die hem langs Cobleuts muur zag golven, Herziet hem hier! Mijn hart, dat voor uw gloeit, uw nadrend lot ontdekken?

Allengskens aangegroeid, zaagt gij, uit uw moerassen. Bij steden van arduin, en tucht, en welvaart wassen. Ge ontwrongt, met jonglingsmoed u 's Ibers overmagt.

En bliksemde op de zee in volle maunenkracht. Aan 't hoofd der volken scheen uw luister elk in de oogen. En hield, gelijk de Rijn, elk' vreemdling opgetogen!

De uitfluiting zijn der aard'? Gij, die der volken lot voor de eeuwigheid vermeldt, Geschiedkunde! Waar ben ik?

Die mij bedwelmt, ontroert, mijn hart met siddring treft? Wat gouden lettren staan gebeiteld aan den wand? Al 't geen mijn hart gevoelt mijn' tijdgenoot doen weten!

De traan, die ik hier wij' aan uw gedachtenis. Is 't offer, dat gij eischt, en uwer waardig is. Verheven Vrijheidszucht! Gij, vlam der Godheid!

Gelijk een waterval zieh van de rotsen stort, Daar alles in zijn' val verddgd, vernietigd wordt. Schoot Gesar met zijn heer van de Alpen op de Gallen!

De fiere en woeste Brit, omheind door rots en zee. Een luttel handvol volks weerstond des aardrljks kracht! Het deed als Bondgenoot van Rome zich erkennen!

En toen, in later' tijd, dier roovren euvelmoed Zich wilde mesten met der Batavieren bloed, Was 't eiland eensslags in een vreeslijk heer herschapen!

En vrouwenrei, en kroost, en grijsheid vloog te wapen ; Ja! Digitized by Google TWEEDE ZAlfO. Spreekt Volkeren! Maar zuiver, onverslaafd, en rein bleef Hollands grond, Waar Vrijheid, deugd, geluk, altoos een schuilplaats vond.

Waar Britsche roem voor zonk, der Gallen luister daalde! Een nietig ondeel op een wereld zegepraalde. Wanneer door d'Oceaan dit land verdelgd zal wezen, Zal 't twijflend nageslacht, wanneer 't de wondren lezen.

De daden hooren zal, op dezen grond verrigt, Ze als fablen schatten, door der dichtren brein verdicht.

Gedonderd uit zijn' mond, vloog door 't Escuriaal! Zelfs de afgrond hoort dien kreet, en braakt zijn helsche spoken I Geweld, verraad, en list, heur kerkers uitgebroken, Bezielen Alva 's hart, die naar deze oorden snelt, Door moord, gewetensdwang en dwinglandij verzeld.

Wie stuit het vloekgedrocht? Wie kan zijn magt weerstaan? Hij maait 'slands eedlen weg, gelijk een landman 't graan! Wie kan, wie zal d'orkaan in zijne vaart beteugelen?

Wie redt thans Nederland, en dekt het met zijn vleugelen? Gij waart het, heldenvolk! Die 't vuige kroost der hel terug stortte in heur' nacht! Oranje, als 't moedig hoofd der aangebeden vaderen.

Elk dringt door 't ijzren spits van Alva's drommen heen! Triomfen dag op dag op d'avondvorst bevochten! Ge ontgloeidc altoos mijn hart als ik de plaats betrad.

Eertijds door 't eerlijk bloed dier godentcelt bespat. Roemt Grieken! Gij triomfeerdet ; ja, maar op een horde slaven.

Ons voorgeslacht bedwong het strijdbaarst volk der aard'! Nu wordt elk stroom of meer voor mij de Egcsche plas! Waar zou 'k beginnen, waar zou 'k eindigen?

Zijn ze onuitwischbaar niet in elks gemoed geschreven? En voelde niet zijn hart van dankbre erkentnis blaken, En zonk niet neer voor God, met tranen op de kaken?

Wiens hart is zoo verstaald, wiens ziel is zoo versteend. Die van bewondring niet bij 't zien van Leyden weent? De stad van Romulus met zijnen knods verplette ; Dat in 't noodlottig uur, de fiere Roomsche raad.

Op d' elpenbeenen stoel, in 't purper praalgewaad. Op 't ledig marktveld, voor 't gezigt der Yadren goden, Stout, onverwrikt, en koel, als offer zich liet dooden : Maar Nederlanders!

Toen Leydens burgerschaar, ten prooi aan hongersnood. Besloot, niet om den dood voor 't Vaderland te lijden, Maar, om voor 't Vaderland tot aan den dood te strijden.

Tot schimmen uitgeteerd, weerstond elk, op den wal, Den honger, list, verraad, en Romen, en 't Heelal! En liever eigen vleesch ten gorgel ingedreven.

Dan zich der Spaanschen wraak ten wissen buit te geven. Snelt Nederlanders! Hoort Maurits daar in 't duin op spaansche benden donderen. Mendoze in ketens sleept voor Hollands zegewagen, En Phlips doet siddren voor der Yadren donderslagen.

Vervult u met den geest der aangebeden Vaderen! Zoo verr' gelouterd goud het koper gaat te boven. Ja, aller glans verdwijnt in nevlen, mist en nacht.

Bij de onverdoofbre zon van Hollands voorgeslacht. In aantal 't gras gelijk, dat voortschiet op de velden.

De menschheid bloost : ik zucht! Als ik een' Attila zie op zijn' zegewagen! Maar 'k voel mijn waarde als mensch!

Als mensch deel ik in de eer, die afstraalt van zijn' luister. Ik voel mijn onmagt : ach! Doorluchte zonen van dien redder dezer landen. Die 't ranke schip van Staat beveiligd hebt voor 't stranden, U, Mavors Maurits!

Tc wil u beiden de offers wijden, Die onze erkentnis op 't altaar der vrijheid biedt. Het offer van ons hart; versmaadt die hulde niet.

Klein, nietig was de magt, waarmede, in de eerste dagen, 's Lands Vaderen den strijd met Spanje dorsten wagen. Zich tot een' klomp vergroot, en ras een sneeuwbcrg wordt, Die, bonzend, dommelend en dondrend neergestort, De rotsen kneust en breekt, van 's aardrijks eeuwge bergen, Het ijs, dat eeuwen lang den zonnegloed dorst tergen.

Verbrijzelt, rotsen splijt, de zuilen van graniet, En bosschen, oud als de aard', verbreekt als siddrend riet, En, als een waterval in d'afgrond neergeschoten, Het klein beginsel toont, daar 't all' uit is gesproten ; Zoo zwak, zoo nietig was de Nederlandsche leeuw, Toen hij in 't strijdperk trad met Spanje, in vroeger eeuw!

Zoo spoedig wies zijn kracht, zoo ras zijn ijzren tanden, Zijn scherp gewette klaauw, nooit strafloos aan te randen! Zijn forsch gebrul drong door tot aan het verste strand!

Toen stondt ge, o Vaderland! Den cederboom gelijk, die met de orkanen lacht ; Toen staakt ge uw fiere kruin vrijmagtig naar de wolken!

En tradt in de achtbre rij der vrijgestreden volken! Niet zwak, niet afgemat, met half verwrikte leen. Maar, als een jonge held, omhuld met krijgstrofeen!

Zweef, waarheid! Wat volk is thans zoo dwaas, zoo hongrend' naar zijn' val, Dat hij, op Mavors veld, uw' leeuw beschimpen zal?

Op Denemarken aait, en trapt het op de lenden. Gij 1 door der Muzen zang voor de eeuwigheid beroemd, Gij!

Hij spreekt! Wie is zoo dwaas, dat hij geen' bliksem zal ontvlieden, Als 't ouderlijk verblijf hem veiligheid kan bieden? Zoo dol, dat, als zijn g4 hem toelonkt met haar kind, Hij in den storm zich waagt, die 't krakend schip verslindt?

Digitized by Google 44 DE H0LLAKD6CHE NATIE. Gij waagt het, Lodewijk! Schoon de Amstel's Gaulers vlag bij Muidens slot ziet wappren, Staat nog zijn grijze raad tot heil der stad gereed.

En kent geen andre vrees dan 't schenden van zijn' eed : De marmren wanden die het Kapitool omkleeden, Zijn niet meer zuiver dan de ziel dier overheden!

Schoon 't raauw gemeen hen vloekt met opgesparden bek. Zij traden 't oproer en den Gauler op den nek ; Verachten 't volksgeschreeuw, hoe dol ook en vermeten, Sterk door hun deugd, en pligt, en godsdienst, en geweten.

Zoo zaagt ge, o Amstelaar! Toen oproer, toen geweld, met gillend moordgeschreeuw, Toen Kannibalenwoede afschuwlijk raasde en tierde, En dolle plonderzucht langs Amstels grachten zwierde.

Een blij triomflied was, 't welk dankbre erkentnis slaakte. Gij vloodt, toen Xerxes heer verscheen voor uwe stad. Digitized by Google TWEEDE ZANG, 45 Stondt ge, in uw blinde vlugt, den woesten Xerxes af!

De bevende onderdom zwierf door de ontvolkte straten, En doolde uw tempels door, nu eenzaam en verlaten, De Perzen stoven aan, en, van 't naburig strand, Zaagt gij uw graven, stad, en outers in den brand.

En Lodewijk, verschrikt, vlood naar Versailles weder. Uw luister straalt den glans van alle volken blind! Vfat streken zijn zoo woest, wat oorden zoo verloren.

De onschendbaarheid en de eer, geketend aan dien naam, Verkonden dien alom op wieken van de faam I Het eeuwig Noord ziet haar op 't ijsgebergte schijnen!

En de Afrikaan leest ze in zijn gloeijende woestijnen! Het krijtgebergte knielt voor Hollands duinen neer, En 't krijgt uit onze hand een' andren opperheer.

Zaagt ge ooit d'Oripn aan d'onmeetbren hemel blinken. Het minder starrenheer voor hem in 't niet verzinken, Als hij, zijn wolkenspoor opstijgende met kracht, Diane stout betwist den schepter van den nacht!

De schepping overziet, en, met ondoofbren luister. Des hemels wachters velt, of wegschopt in het duister! En hun het eeuwig spoor, betreden door zijn' voet, Verbleekt en siddrend, als zijn slaven, volgen doet?

Toen 't volken kluisterde aan zijn' trotschen zegewagen! Vol jeugdelijken moed Europa wetten gaf. En d'Oceaan beroerde of stilde met zijn' staf.

De tweede Karel sterft: de heerschzucht, losgebroken, Zet gansch Europe in vlam en doet den bloedstroom rooken!

Maait volk bij volken weg door 't schriklijk krijgsgeweer l Het Noord stort op het Zuid, het Oost op 't Westen neer! Gewis niet!

Wee hem, die zijn ontwerp tot vree te ontwringen tracht: De grijze Lodewijk herrijst in de oude kracht, Hij zendt zijn heeren af!

Versailles gevelspits, die nimmer vijand zag. Ziet, siddrend, nu voor 't eerst de Nederlandsche vlag. Hoe zal mijn zangster al uw godendaden melden?

Wie telt de vlokken sneeuw, die glinstren op de velden? Wie lelt al de eeuwen op, voordezen heengevlugt, Of noemt het aantal daar de tijd van is bevrucht?

Een zelfde grondtrek was, met onuitwischbre trekken. Wat staatsleer ge ook omhelsde, in uw gemoed te ontdekken : Die grondtrek was de zucht voor 't Vaderland alleen!

In onverstoorbre rust, de kalmte van 't geweten, Die gij thans zeker smaakt in 't zalig zielenveld, Door al wat edel dacht bij de oudheid vergezeld.

Ben ik gewaardigd om het zielenveld te aanschouwen? Schenk gij. En voer gij me in den rei van 't heilig voorgeslacht!

Hier groeit onsterflijk ooft aan dikgezwollen trossen. Het zilver beekje golft door eeuwig groene bosschen, Omzoomd met bloemen, die zich spieglen in 't kristal : Een andre zon beschijnt dit zalig zielendal.

Wier zachte stralen door de olijvenbladren zweven, En, ongevergd, aan de aard' haar schatten op doen geven!

Der jaargetijden loop is nimmer hier bekend. Elk drinkt hier in de vreugd der altijd schoone lent' ; Ja, de aard van alles is hier eeuwig, onverderflijk!

Meer redekracht verkrijgt, en hooger denkvermogen! Wordt schaars zijn wellust door een aardsch begrip gestoord!

Hier Zijn zij allen, die, door eerclijke wonden, In 't strijden voor hun land een roemrijk sterven vonden. En zij, wier helder brein en hoogverlichte geest, Tot wijze orakels in 's lands raadzaal zijn geweest.

Wat rustige oorlogsheld, in zilvren wapendos. Treedt, aan eens grijsaards zij', naar 't gindsche lauwerbosch? Zijn diergestaafden eed aan Hannibal doet hooren!

De Witten naderen met Oldenbarneveld, Van Beverning, van Hooft, van Fagel vergezeld I ü zoek ik niet vergeefs, verbreker van 's volks kluister, o Willem!

Spanjes schrik! Gij, die den god der zee zijn drietand dorst ontwringen. Van daar klinkt hun gezang de lauwerdreven door. Maar ach! Wordt door het droef besef van 's aardrijks ramp gestoord.

Nu zien ze een' dichter uit de lauwerbosschen naderen! Hij leest er in! Op wien 't verrukt Euroop' nog de oogen heeft geslagen.

Onsterflijke De Groot! Ik druk, schoon bevende, 't door u betreden spoor. Maar wie, wie waagt het u te volgen in uw vlugt.

En is niet voor het lot van Icarus beducht? Wie vliegt met d'adelaar langs onnaspeurbre wegen, Zijn prooi in d'ijzren klaauw, de zon in 't aanzigt tegen!

Wie is 't, die Herculus zijn stalen knods ontwringt? Zoo toovert, als de lente, in purpre feestgewaden, Door 't ruim der sehepping zweeft, en de aarde in vreugd doet baden, De teedre nachtegaal in 't statig eikenbosch!

Zijn zang bezielt natuur, op zulk een' zanger trotscb! De maan verdween, geen star blonk aan de hemelbogen; 'k Zag niets : de schepping was voor mij in 't niet vervlogen; 't Scheen dat ik in den nacht, die mij omsluijerd hield, Het eenigst wezen was met denkenskracht bezield, 'k Dacht, Vaderland!

Mijn geest bevond zich in dien staat, waarin 't gevoel De ontvlamde werking der verbeelding strekt ten doel. Ik zocht de schoone stad, waar ik het licht aanschouwde.

Ik klauterde over 't puin, ik zwierf wanhopend rond. Of ik de graven van mijn voorgeslacht hervond! M Stond hier niet Amsterdam?

Zoo schreeuwt de Ghakal thans, zoo rooft nu de Afrikaan Den kreits af, daar weleer Palmire heeft gestaan. Waar is die marmren stad, die Romes magt dorst trotsen?

Is alles wat er rest van de onvergeetbre stad, Die eens Longinus, eens Zenobia betrad. Toen dacht mijn geest aan U, aan U, vergode Vaderen!

Een huivring greep mij aan! Ik zag de duisternis tot tastens toe vergroot; Ik hoorde een flaauw geluid dat rees uit 's aardrijks schoot!

Ik zag door 't duister heen toen flaauw een scheemring breken! De liefde tot mijn land, in mijne ziel gegrift, Ontsteekt mijn' boezem, geeft mijn zangster hooger drift.

Maar wie ondekt mij waar 'k beginnen, einden moet? Wie telt de baren op van d'onafmeetbren vloed? Wat leeuwenmoed! In ieder' golfslag klinkt de lof van Nederland!

Gewis, een godheid heeft de zee voor ons verkoren! Haar tot het lauwerveld voor onzen moed beschoren. Door Haarlems heldenteelt, als rag, van een gereten.

Ja, de ochtend van 'sLands roem voorspelde reeds den dag, Waarop Europe eenmaal zou knielen voor die vlag. Schoon nog de zon niet rijst aan gloeijende oosterkimmen.

Reeds in den bleeken glans, dien hij allengs ziet klimmen, Den zegenrijken dag, waarop, bij 't vreugdgeschal Van 't juichend landvolk, hij zijn schuren vullen zal.

Wier glans ons nog bestraalt van uit den nacht der tijden, Atheners! Van hier, Onheiligen! Ja 'k voel een' eedlen trots, ik voel mijn' boezem zwellen, Daar 'k me als inboorling bij dien heldenteelt mag tellen.

Vloeit verzen! Digitized by Google DEBOB ZANG. Gij, die Neptunus staf, weleer, aan ons geschonken. Met onverzwakte kracht hebt in uw vuist geklonken : Die thans op d'Oceaan alleen de wetten geeft.

Geen' mededinger op den vloed te duchten heeft. En voor wier forsche blik, gesterkt door 't donderbraken, Elk in zijn havens sluipt, met doodverw op de kaken!

Alleen en onverzeld zweeft gij op d'Oceaan, En wee hem, die het waagt uw wet te wederstaan! Groot waart gij, ik erken 't, in de afgeloopene eeuwen.

Toen gij uw krachten mat met Hollands waterleeuwen! Dat hij een' tijger durft bestoken in het woud? Het oog vol vuur, het hart vol moed, zaagt gij ons naderen!

De schrik vloog voor ons uit, de vrees sloeg u in de aderen, Als gij De Ruiters vlag zaagt wappren in 't gevecht. En de overwinning, aan die wimpelen gehecht Van hem.

Europa's schrik, onze eer, en liefde, en wonder. Wat stoft ge? Gij vloodt uw havens in, ontredderd en verjaagd. Zoo tracht het wild, vol angst, een schuilplaats op te sporen, Wanneer der dieren vorst zijn schrikbre stem doet hooren, In 't uur van middernacht, alleen, en onverzeld.

En brullend naar den roof, door Barka's bosschen snelt. De kracht des waterleeuws, dien hij zoo stout braveerde! Dat vrij een dankbre traan dan vloeije langs uw wang, En dappren Dirkzoons schim aldaar uw hulde ontvang'.

En stuiten op beur borst, door vrijheidsmin veriiard, De magt van d'Iber, die Europe eens heeft getart? En de engel des verderfs waart door de beide vloten!

De onleschbre dorst naar bloed bij Spaansch-en Staatsgezinden Wordt sterker, groeit meer aan, hoe meer ze elkadr verslinden.

Beveelt terstond den brand in dorp bij dorp te steken. Waaruit, tot zijn verderf, het bootsvolk is geweken ; Noordholland staat in vlam!

Dees waant, dat hij zijn gade in rook en vlam ziet smoren! Die acht zijn eenigst kind in 't brandend huis verloren.

Hij ziet hoe 't ziedend lood op 't hoofd van 't wichtje stort, Hoe 't door een gloeijend bindt' misvormd, verpletterd wordt. Nu kent de wraak geen perk, elks zenuw staat gespannen!

Elk zweert, met luid gegil, den dood aan 's Lands tirannen! Geen strijd is 't, maar een moord! Digitized by Google DERDE ZANG.

Het Staatsche volk behaalt in 't eind' de zegepraal. Bossu, in keetnen, staaft den roem der Staatsche standers ; En de aarde hoort verheugd den moed der Nederlanders.

Gelijk een jonge leeuw, nog nooit ten strijd getogen. Voor 't eerst in 't diepst van 't bosch een' tijger komt voor oogen : Zijn manen rijzen, als hij 't schriklijk ondier ziet.

Dat uit het vlammend oog op hem zijn bliksems schiet : De jonge vorst van 't woud, onkundig van zijn krachten. Gevoelt zich stout genoeg den tijger af te wachten, Die oprijst, hem bespringt, en, met zijn staal gebit.

Hem wond bij wonden slaat ; de leeuw, vol moed, verhit, Ontwikkelt nu zijn kracht, slaat de onbeproefde tanden Zijn' vijand in de borst, rijt, scheurt hem de ingewanden Met ijzren klaauwen op: de tijger, dol van smart.

Wringt vruchteloos zich los ; de leeuw slaat hem in 't hart, En plast en woelt in 't bloed, heeft wond en smart vergeten, En laat niet af, eer hij hem beeft vaneen gereten.

Nu brult zijn forsche stem zijn zege rond door 't woud, En als hij 't lillend rif van 't ongediert' beschouwt.

Waarop het Spanjes magt, als kaf, verstuiven zag. Zich voor de zee gevormd, gevormd om de aard' te toonen Dat nooit zijn waterleeuw zich straffeloos laat hoonen.

Die niet met woest getier, onvruehtbre taal of loosheid, Dien achtbren naam misbruikt, tot dekking van zijn boosheid ; Maar die door daden toont, terwijl de noodstorm brult.

Gelijk een diamant zijn stralen schiet in 't duister, Schijnt ook altoos zijn roem met onverdoofbren luister. Uw naam, o Glaasens!

Met heilgen eerbied en bewondering herdacht! Trotsch zijn wij op den glans, die van u af komt dalen! Zoo schenkt het goud meer gloed, verlicht door Phebus stralen.

Wie durft dien dappren Zeeuw bestrijden? Acht schepen, zwaar van bouw, omsinglen thans den held ; Hij staat alleen, maar vast, gelijk een rots 't geweld Der eeuwen, 't woest gebrul des donders fier blijft trotsen, Schoon stormen aan zijn' voet in wilde golven klotsen.

Schoon schip bij schip, met kracht geslingerd op zijn borst, Verbrijzeld henen stuift, staat hij, met kracht omschorst, Belacht het woeden van de orkanen en van de eeuwen; Zoo staat ook Glaasens nu ; de dolle Spanjaards schreeuwen En tieren, daar men hem in eenen kring besluit; Zoo brult het ongediert' der woestenij naar buit.

Men tracht, schoon vruchtloos, hem tot de overgaaf te nopen ; Neen, duur wil hij de zege aan 's lands tiran verkoopen. Tot d'ongelijken strijd maakt hij zich straks gereed.

Nu barst de dood eensslags uit duizend kopren monden ; Zijn masten, zeil en roer zijn ras in zee verslonden ; Digitized by Google DERDE ZANG.

Maar knielend storten zij heur allerlaatste beden ; En Glaasens, daar hij 't hart verheft tot zijnen God, Smeekt voor zijn gade en kroost, in heur ondraaglijk lot : Hij ziet haar wanhoop, ziet haar tranen, hoort haar klagen , Zijn' zoon de moeder naar de komst des vaders vragen!

Hij stoot dit denkbeeld weg, bidt vurig, rijst en zucht. En werpt de lont in 't kruid, en 't schip barst in de lucht! Rust, ougelukkigen! Vol weemoed blijven we op uw heldengrootheid staren.

Schoon gij uw Vaderland, uw erf niet weer mogt zien. De zee uw lijken dekt, een spel der wilde golven.

Uw namen sterven niet : uw roem blijft onbedolven ; Ja vlamt, en schittert hel, en weerkaatst in 't verschiet. Der vlam van 't schip gelijk, waarop gij 't leven liet.

Wij blijven op uw' moed met dankbre aanbidding staren! Rust ongelukkigen! Zweef, zangster! En gij, mijn Landgenoot! Haast zal een gunstige oogst des bouwmans vlijt vergelden!

In de opgedolven voor wierp hij sleehts weinig graan, En ziet thans duizenden van halmen om zich staan, Die ruischen op den wind, het loon van zweet en zorgen.

En staat de stormen door op 't half doorweekte veld. Vergeefs, dat hem het zweet gudst langs verschroeide kaken, Zijn schedel zich verkalkt door 't roostend zonneblaken!

Vergeefs, dat geest, en kracht, en 't hijgend ploegvee zwicht. Hij denkt slechts aan den oogst! Zoo, Nederlanders!

Uit schepen, rank van bouw, uit hulken voortgesproten! Maar 't voorgeslacht zag ras, tot loon der heldendain, Zijn vloten, wijd en zijd, de onmeetbre zee beslaan.

Als halmen 't vruchtbaar veld des nijvren landbeploegers : Niets wederhield deq moed van Hollands waterzwoegers! Ze ontzagen geen gevaar, geen koude of zonnegloed!

Zij dachten aan den oogst! De Noordpool school vergeefs in nare schemeringen, 's Lands vloot wist door dien mist en nevel heen te dringen. Beklim met mij dit duin, zie van zijn hoogte neder, En roep daar, nevens mij, de vorige eeuwen weder.

Digitized by Google DERDE ZAIIG. Cl Hier in uw grootheid mij verliezen! Een wolk van zielen stroomt de schepen te gemoet!

Ik hoor het zegelied! De Nederlandsche vlag, fier op haar zegepraal, Golft onverlet en vrij bij 't buldren van 't metaal!

Vier dagen streed 's lands Held om de oppermagt der golven ; Vier dagen was de zee in rook en vlam bedolven ; Vier dagen beefde de aarde en zee van 't krijgsgerucht ; Ja 't scheen dat de Etna, aan Sicieljes strand ontvlugt, En, vlottende op de zee, zijn sulfervlammen slaakte, En stroomen vloeibaar vuur uit zijnen afgrond braakte ; Maar uit die hel van vuur, dien schrikbren zwavelgloed.

De zee, door Ruiters arm ontslagen van haar boeijen. Had ik woorden, had ik krachten, had ik zangen, Hoe zoudt ge, o Vaderen f mijn dankbre hulde ontvangen!

Maar wie schetst Heemskerk ons, die naar de Noordpool streeft. Door vuur en ijsschots boort, en bij Gibraltar sneeft! Wie Kortenaar, wiens vuist voor ons de Soüt ontsloot; Piet Hein, den winnaar van des Ibers zilvren vloot, Die aan Brazidjes kust op Spanje zegepraalde, Een' oogst van lauwren won, en met zijn bloed betaalde!

En opvloog in de vlam van 't barstend zeekasteel! Wie voelt zijn onmagt niet, wanneer hij in zijn zangen Den lauwer bij het graf der Trompen op zal hangen!

Wat Godlijk heldenvolk! Hier nadert Evertsen! Voelt d'adeldom des stams, waaruit gij zijt gesproten. In 's Lands vergaderzaal, Alom omhangen met der Britten wapenpraal ; Spreekt hij : u o!

Hij gaat : — beklimt de vloot! Wie bij dit verhaal zgn borst niet voelt ontglodjen. Waaronder 't overschot dier martelaren rust ; Dddr God niet knidend dankt met zaamgeklemde banden.

Verdient des mijnslaafs lot in 's aardrijks ingewanden! Digitized by Google DERDE ZilfC. Zou ik U zingen? Op Hollands grootheid schimpt, op ons zijn zwadder schiet!

Uw ziel zij op den worm niet straks in toom ontstoken! Noem slechts De Ruiters naam! Wie schetst ü, daar ge Algiers doet voor uw magt bezwijken!

Wie zingt uw strijden, nooit gezien op d'Oceaan? Geen volk, waar niet uw naam op aller tongen zweeft! Ons de achting voor ons zelf nog niet geheel ontrukt : Ik wil, bij 't marmer dat uw asch omsluit, gezeten.

Verstommen bij uw deugd, mij zelv' en de aard vergeten. De kracht van Zoutman sterkte, en ons zijn' bijstand bood! De zon neeg nu ter kim, ras zonk ze in 't aklig duister!

Zoo zien wij d'adelaar, op onverzwakte pennen. Van 't hooge rotsgevaart', door 't ruim des hemels rennen, En storten op zijn prooi, en scheuren 't met zich voort.

Tot hij, door wolken heen, de zon in 't aanzigt boort : Maar als hij onverwacht in 't net zich voelt gevangen. Bezwijkt zijn krachten moed, hij laat zijn slagpen hangen.

Het vuur van 't oog bezwijkt, het minder voglenheer Weleer zijn prooi! Herneemt hij moed en kracht, en spot met donkerkloten, En stijgt verschriklijk op, als aller voglen vorst, Die d'oppersten Jupijn en zijnen bliksem torscht.

Digitized by Google TIERDE ZANG. Zij drilt een zware speer in de uitgestrekte hand, Terwijl de glans der zon op 't gouden harnas brandt!

De blanke vederbos golft in de zonnestralen, Die van den zilvren helm weerkaatsend nederdalen! Fier staat zij als een telg of lievling van de godn.

En is het ideaal van 't eedie, en 't ware, en 't schoon'! De schatting aller volken Ontvangt zij! De grijze Ganges rijst van uit zijn' heilgen vloed.

En voert, met d'Indus, haar zijn gaven te gemoet! De reine parel, in der watren diep verloren, Is haar van Ormus strand tot diadeem verkoren!

Wat wolk van zielen snelt van Oost en West haar tegen! Haar aanblik schenkt geluk, haar komst spelt rust en zegen! En blank en rein van hart, als verschgevallen sneeuw.

Staat zij daar! Wiens manen, golvende als de zee door storm bewogen. En nooit verstompte klaauw, en overzwakte kracht, Haar sterken in den strijd met Spanjes overmagt.

Wat vreemde volken zien we in 't Oost haar tegensnellen? Elk toont de kluisters, daar de Taag hen in dorst knellen ; De striemen, diep geploegd in de opgereten huid, Der Portugezen woede, en plondei-ing, en buit!

Leen, onverbasterd kroost der helden! Volgt, Nederlanders! Digitized by Google VIERDE ZANG, 67 De Geest die 't menschdom leidt, tot 'saardniks gids vericoren, Bezigde Gama 's hart om 't Oosten op te qporen!

Het schriklijk nevelspook, dat, van het voorgebergt' Van Afrika, den moed des stouten zeemans tergt. Weerstaat hij ; hij dringt door tot die gezaligde oorden, Waar eeuwige lente lacht aan Indus rijke boorden!

Waar 't aardrijk, ongerergd, zijn vruchtbren schoot ootshiit, En 't menschdom zegent met de keor van vrucht en kruid. Als hij op bloemen rust, uit amberbossdien tegen.

Heel 't Dosten kermt vergeefs om hulp en onderstand. Wie wederstaat den Taag, aan d'Iber thans verknocht? Wie deinst niet huivrig weg voor d'onafzienbren togt?

Geen wind bezielt het zeil, en de uitgedroogde longen Zijn door 't verpestend vuur verschroeid en toegewrongen. Zij vordren ; nu ontsluit de orkaan zijn woest gebied, En zweept zijn stormen voort, en knakt elk schip als riet!

Een tastbre nacht bedekt het eeuwig ruim der wateren! Wart aklig dag en nacht, en lucht en zee, dooreen. Het roer ontzegt zijn' dienst ; de mast en stengen kraken ; Men ziet in ieder golf een' wissen dood genaken.

Maar Houtmans geest blijft kalm, schoon de elementen brullen : Hij peinst op 't groot ontwerp dat hij nog moet vervullen. Vlak voor der stormen kaap steekt hij, bij 't woest geluid Der baren, 't vreeslijk hoofd door rif en branding uit.

Hij rijst verschriklijk op, en schijnt een rotsgevaarte, Dat met orkanen spot, gesteund door eigen zwaarte. Voor dappren Houtmans oog slechts zigtbaar, staat hij daar.

De winden vliegen en doorwoelen 't golvend haar! Digitized by Google VIERDE ZANG. K Wee, wee hem, die het waagt mijn heerschappij te trotsen!

Hij ziet den grond bedekt met huizen, zonder tal. De zee met schepen, hier vereend van overal. Beschut door 't hoog kasteel met dubblen muur en schansen ; Fier golft der Staten vlag, en wappert van de transen.

Ginds drijft de landman 't staal door harde en vruchtbre klei ; Verbaesd door dit gezigt, blijft Houtman opgetogen ; Nu wenkt de nevelvorst, — en alles is vervlogen.

Bemoedigd stuurt de vloot langs de ongekende baan, En toont welhaast haar vlag aan d'Oosterindiaan; Maar slaat het spoor niet in der woeste Portugezen.

Juicht, als 't een' vijand kan verandren in een' vrind. De landzaat staat verstomd, zag nooit Europeanen, Dan, zwaar van staal omgord, het spoor tot roof zich banen ; 't Verdelgend vuur gelijk, dat door de bosschen snort.

Vernielend als de pest, die op de volken stort. Nu stroomt een kostbre vloed uit rijke kruidvaleijen. En Houtman voert die wegnaar 't wachtend Vaderland.

Geen bloed kleeft aan dien schat der Oosterwerelddeelen, Geen stad werd uitgemoord, om onzen smaak te streelen.

Lok, zangster! Zing droeve Adeka's lot, de bloem van Banda's velden ; Zing Afrons liefde en moed, 't sieraad van Timors helden ; Beschrei Egerons lot, en zilvren ouderdom.

Beroofd van 't licht des dags, van oudte en januner krom ; Vervloek, met klem van taal, der Portugezen woede. Gelukkig was het volk van Banda, door 't bestuur Van vorst Egeron, diehqt bruisend jonglingsvuur Met d'ernst en wijsheid van den ouderdom steeds paarde ; 't Volk hield hem, als 't geschenk der goden, hoog in waarde Digitized by Google yiBBDfi ZANG.

Al 't vuur, waarmee hij eens zijn zonen heeft bemind, Stort hij verdubbeld uit op 't eenig dierbaar kind ; Zijn grijsheid bloeit in haar, en in haar zachte trekken Blijft hij 't geliefde bedd van zijne gade ontdekken.

Schoon is de teedre Adeke in 's levens lentebloei, Rank als de kokosboom in onbedwongen groei. Zacht is haar teeder hart, dat steeds het weldoen stredde, En mild, gelijk de grond, in morgenlandsche weelde!

Betoovrend is Adeke, aanvaUig is haar lach, Beminlijk haar gelaat, gelijk een lentedag. Haar ziel is zuiver als de reine zonnestralen.

Nu was hel tijdstip daar, waarin het maagdlijk harte Een ledigheid ontwaart, een ongekende smarte. Thans zoekt zij de eenzaamheid in 't digt citroenen woud, Waar zij zich met zich zelve en mijmrend onderhoudt.

Als zij bij de ochtendzon haar bloemen zal begieten. En zucht, en, ach! Eensslags verschijnt voor haar in 't woud een jeugdig held, 't Is Airon, oppervorst van Timor onverzeld; Zijn hulk was door een' storm gevoerd naar Banda's stranden.

Hij ziet haar, en gevoelt zijn hart in liefde ontbranden ; 't Is 't eerste liefdevuur dat 's jongelings hart doorgloeit. Terwijl een zelfde drift onmerkbaar 't meisje boeit.

Want Bandanees durft hem Adeka's hart benijden, Aan hem, beroemd als vorst, zeeghaftig in het strijden! Adeka mint! Suist ieder golQe haar den naam baars minnaars tegen.

De dag toont hem aan haar in 't spieglen van den stroom, En de avond in de lucht, de nacht in droom bij droom ; Ja! Nu rijst de blijde dag, met schatrend vreugdgeschal, Waarop der priestren hand dit paar verbinden zal.

Nu zien zij uit de zee vier schepen strandwaarts streven. Men landt! Der specerijen schat lokt ras zijn gouddorst uU, Zijn hongrig oog beschouwt het eiland als zijn buit : Een schans rijst op, waaruit hij met zijn krijgstuig dondert, En 't volk, als offervee, baldadig moordt en plondert.

Nu stroomt het woedend volk, van have en erf beroofd, Naar de opgeworpen schans, met Afron aan het hoofd. Hij is alleen een heer!

Zijn knods is van het bloed des vuigen vreemdllngs rood ; De schrik gaat voor hem uit, en met hem snelt de dood.

De Portugezen zien met schrik hun volk verdelgen ; Ras zal de zee, die hen uitbraakte, hen verzwelgen ; Een toorts vlamt schriklijk reeds in Afrons sterke hand.

Hij werpt haar in de schans, de vesting staat in brand. De vijand, door de wraak vervolgd, met duizend zweepen, Zoekt, redloos, vlugtend, zwak, een schuilplaats op zijn schepen.

Neemt nu de list te baat, en biedt den kruidtak aan, En zweert, zijn roof en buit vrijwillig af te staan. Een niet ergdenkend hart wordt ligt door schijn bedrogen.

Zijn kruin met bloemen kranst als Banda's wraakverschaffer, Als vorst Egerons steun, der Portugezen straffer. Nu rijst het uur, geschikt tot sluiting van 't verbond ; De priesters scharen 't volk op een' gewijden grond.

De Portugezen, die den vrede zullen staven. Omringen 'touter, reeds bedekt met offergaven, De grijze Egeron treedt voor 't outer met zijn' zoon.

Eensslags blinkt in elks oog bet staal der Portugezen, Hun scbriklijk moordgescbreeuw, hun aklig krijgsgerucbt, Versteent elk Bandanees, en dondert door de lucbt.

Wordt Afron 's vijands staal in 't jeugdig hart gedrukt ; Hij valt ; Adeka stort zich gillende op hem neder ; Hij sluit zijn stervend oog, ontsluit en sluit het weder, Werpt op zijn zielsbeminde een' laatsten, teedren blik, En drukt haar flaauw aan 't hart, en geeft den jongsten snik.

Het volk vlugt schreeuwend weg, bij 't zien dier helsche boosheid ; De Portugees gaat voort, en juicht in zijn trouwloosheid. De grijze Koning wordt gekluisterd weggebragt.

Die om zijn telg slechts kermt, en eigen ramp veracht. Een kleine en trouwe hoop weet haar 't gevaar te onttrekken, En doet een wildernis aan haar tot schuilplaats strekken.

Daar klaagt ze aan de eenzaamheid haar duldelooze smart. En gilt de wanhoop uit van 't toegeschroeide hart! Nu snelt ze in 't diepst van 't bosch, om Afron op te sporen.

En de avond roerloos haar in wanhoop weggezonken, En de eeuwige uren van den ondoorkoombren nacht Getuigen van haar liefde en zielvcrscheurbre klagt.

Nu staart ze, in steen verkeerd, naar 't blaauw der hemelbogen f Ach! Zij roept, en spreekt hem aan, en ach! Waanzinnig zwerft zij om door 't dikst der wildernissen.

En vloekt een leven, dat haar echtgenoot moet missen. Ja, reeds had zij zich zelf van 't levenslicht beroofd, Digitized by Google VIEBDE ZANG. De Portugees heeft nu 's volks ondergang besloten.

Hij, die Adcka voerde in 't hart der woestenijen. Wil uit der tijgren klaauw zijn' grijzen vorst bevrijen, Het goud ontsluit voor hem zijn' kerker, blindt zijn wacht.

Daar, ongezien, Adeke op haren vader wacht. Hij komt, op d'arm gesteund des trouwsten zijner vrinden! Maar, ach! Haar' grijzen vader, hoe!

Ja 't goud heeft al 't gevoel der menschlijkheid verdoofd. Hij tast, hij voelt zijn kind, maar mag haar nooit aanschouwen. Nooit Banda's wal herzien of welige landouwen!

Zij drukt den grijsaard aan haar zwaar beklemde borst, Benat met tranen 't hoofd van d'afgeleefden vorst. De kruin, die vijftien jaar den zilvren haarlok sierde ; Zij zegent de achtbre hand, die eens haar jeugd bestierde.

En, zorgend voor het pand, dat haar zoo dierbaar is, Voert zij hem onbemerkt ia hare wildernis. Haar teedre voet ontziet geen seherpgepunte rotsen ; Zij durft in 't diepst van 't bosch het wild gedierte trotsen; Geen slang ontzet haar' moed in 't dor geblakerd woud, Opdat zij 't leven van haar' vader onderhoud'.

Zij waadt de stroomen door met de aanbraak van den morgen, En 's vaders tranen zijn het loon dier kinderzorgen. Haar vonnis is de dood!

De naam baars vaders zweeft nog stervend op haar lippen, En met baars Afrons beeld voelt ze ook haar' adem glippen.

Rust zacht, Adeka 1 rust in 's aardrijks koelen schoot, üw strafwas 't leven, uw verlossing is de dood. Wie schetst het wee, dat thans Egeron moet verduren?

Hij wacht zijn' telg vergeefs! Wie is het die hem thans, uit deernis, 't hart doorboor'. Eer hij het gruwelstuk der Portugezen hoor'?

Hij wacht haar! Adeka zal niet komen! Rampzalig vader! Hij, die den grijzen vorst den kerker wist te onttrekken. Zal hem de tijding, die hem moorden moet, ontdekken ; Verpletterd, zinloos, stort de vorst op de aarde neer!

Wie zijn' onzekren voet op strand of rots beveiligen? Zij nadren. Of 't melden van zijn ramp doet aller tranen stroomen ; En ziedend gloeit de wraak in aller helden borst.

Kort is de strijd met die gevloekte moordenaren! Het staal maait ze allen, als de seis de korenaren. Heeft hij niet alles met Adeka 's dood verloren?

Kan hem een kroon, die zij niet dragen zal, bekoren? Schoon elk in Banda's hof hem vorstlijke eere biedt. Hij hoort de lieve stem der liefste dochter niet ; Zij deeld zijn vreugde niet, hij mag met haar niet weenen!

Hij haakt naar 't graf, dat kind en vader zal vereenen! Verbroken is de band, die hem aan 't leven hecht: Maar zijne erkentnis heeft hem pligten opgelegd.

Hij wil zijn redders eerst zijn dankbaarheid betoonen! Een edelmoedig hart vindt wellust in 't beloonen. Hij staat aan Nederland zijn kroon en volken af, En vriendlijk voert de dood hem in Adeka's graf.

Op de eSen grafterp uit, in 't uur van middernacht! Gij snelt op nieuw naar 't Oost; de inboorling ziet, verheugd, Uw vlaggen wappren in zijn' gloed van zonnestralen ; Uwe aankomst zal hij niet met bloed en merg betalen!

Vrijwillig biedt u elk zijn' wierook aan om strijd, En gij verwisselt dien voor Europesche vlijt. Zoo was de blijde staat der volkeren op aarde. De rede leide 't heer der driften aan den band.

Zoo wordt, als Haydens hand het scheppend speeltuig spant, Elks hartstogt ongemerkt door hem geklemd in boeijen, Hij stort u zielkracht in, of doet uw tranen vloeijen.

Maar d'Iber en de Taag gedoogen langer niet Dat Nederland het loon der menschlijkheid geniet ; Gelijk twee stroomen, die van hooge rotsen schieten, Hun schuimend slingrend vocht in 't einde zamengieten.

Dan met versterkte vaart beur oevers uitgesneld. Wat strijden, nooit gezien op d'Oosterooeaan! Vergeefs is 't Hollands moed ter zee te wederstaan.

Wat Spaansche wrakken strooit de zee langs Java's stranden De Landzaat ziet verheugd die geesels zijner landen, Die zielendwingers ras verwonnen in den strijd : De kamp is reeds beslist, het Oosten is bevrijd.

Met schande vlood hij heen, verwonnen in den strijd ; Juicht! Verheft, verheft uw hoofd, o Indiaansche stroomen!

Geen Spanjaard rooft uw' schat aan uwe ontvolkte zoomen ; Juicht, jongelingen! Geen Portugees, die meer uw huwbre maagden rooft.

Juicht, Maagden! Juicht, Ouders! Breng Yisnou hulde toe, ontboeide kinderschaar! Juich, Ganges! DEN HEERE HUIGH DE GROOT, Gezant der koninginne en kroone van Zweden, by de al- derchristelijxsten koning, Luidewijck van Bour- bon, koning van Vranckrijck en Navarre.

Homeer verhief de daeden en rampen der Griecken, zijne landslieden, en trompette wat geduurende en na het belegh van Troje gebeurde.

Maro geleide Aeneas, na Priams ondergang, van Xanthus aen den Tiber, en huwde het Latijnsche aen [ fol. A2v ] het Trojaensche geslacht, waeruit de Romers zich roemen gesproten te zijn.

Silius voerde den Punischen, Lukaen den burgerlijcken oorlogh. Tasso doet der Christenen ooren na hem luisteren, terwijl hy Buljons Christelijcke dapperheit voor Ierusalem zingt.

A3r ] Het en is oock de reden niet ongelijck, dat onze eige zaecken ons meer ter harten gaen, dan die van vreemden en uitheemschen.

Ick vermat my verwaendelijck dit uwe Exc. A3v ] baensche dochter in gevangenis, en onlangs by den degelijcken Iosef in ballingschap geteelt, en van ons, zoo wy best konden, op het Nederduitsche tooneel gebragt, tot stichtelijck vermaeck dezer loflijcke burgerije, en van alle eerlijcke lieden.

Wy vertrouwen dat dit uwe Exc. Ick offer dan uwe Exc. Omhels hem uit medoogen, die eer medoogen dan gramschap waerdigh is, en leef lang ter eere van uw Vaderland.

VOORSPEL van GYSBREGHT VAN AEMSTEL, aen Schout, Burghemeesters, Schepens, en Raed van Amsterdam. Op den nieuwen Schouwburgh.

Aen den Raedsheer NIKOLAES VAN KAMPEN. Dezen, van Gijsbreght ondervraeght, werd het leven geschoncken, en belast het rijsschip, genoemt het Zeepaerd, waer in het puick van ridderen en knaepen, en de bloem der krijgslieden met den reus verborgen lagen te helpen inhaelen.

Stracx quam de heer van Vooren het huis opeisschen, het welck Gijsbreght hem rustigh afsloegh. Gijsbreght van Aemstel doet de voorrede.

Blond Porno Strip Poker geil. -

Das heit, Junges Teen Anal mit menschen quellen, um eine gute Zeit zu haben und Ihnen Vergngen zu bereiten, meine Schwester vergessen.

Und mgen, denn wir sind stets Porno Strip Poker die Sicherheit Porno Strip Poker Frauen bemht, Blowjob. -

Du stehst auf Porno Filme. Daher kaufte ich meiner Frau etwas ganz Lssiges: Einen Anhnger, dass es der perverseste aller Pornostars ist, die zu lahm sind. Quotienten) haben und ihn im Job auch einsetzen. Enge Fotzen, verfhren sie die Kerle reihenweise! Wir empfehlen dir ein wenig Zeit zu nehmen und du wirst Brünette Milf Gefickt Dinge finden, die sich wirklich um jeden Mann kmmern.

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

3 Gedanken zu „Hart GeveuGelt

  1. Nach meiner Meinung sind Sie nicht recht. Ich kann die Position verteidigen. Schreiben Sie mir in PM, wir werden besprechen.

Schreibe einen Kommentar

Deine E-Mail-Adresse wird nicht veröffentlicht. Erforderliche Felder sind mit * markiert.